Twee eeuwen hartziekten in België

Door Lise Bevernaegie

Vandaag komen hart- en vaatziekten vaker voor bij mensen met een lager inkomen of een lager opleidingsniveau. Beperkte toegang tot gezondheidszorg, in combinatie met factoren zoals ongezonde voeding, roken, chronische stress en minder mogelijkheden voor lichaamsbeweging, verhoogt het risico om een hartziekte te ontwikkelen en eraan te overlijden.

Twee eeuwen geleden zag het beeld er heel anders uit. In de 19de eeuw werden hartziekten vaak beschouwd als een ziekte van de welgestelden, geassocieerd met rijke voeding, een sedentaire levensstijl en de druk van het zakenleven en de politiek.

Hoe kwam deze opmerkelijke ommekeer tot stand? Het antwoord ligt niet alleen in veranderende levensstijlen, maar ook in de vooruitgang van de medische kennis en verbeteringen in de manier waarop doodsoorzaken werden gediagnosticeerd en geregistreerd. Door twee eeuwen Belgische sterftegegevens te volgen, kunnen we zien hoe deze ontwikkelingen de geografische en sociale verdeling van hartziekten hebben veranderd.

Vandaag zijn volksgezondheidsmaatregelen zoals rookverboden, beleid voor gezondere voeding en campagnes die lichaamsbeweging bevorderen erop gericht de last van hart- en vaatziekten te verminderen en de hartgezondheid van de hele bevolking te verbeteren.

Afbeelding: Tekening van een hart, door Thomas Godart (bron: Wellcome Collection).

Wat zijn hart- en vaatziekten?

Wat zijn hart- en vaatziekten?

Hart- en vaatziekten zijn een groep aandoeningen die het hart en de bloedvaten aantasten, waaronder coronaire hartziekten, hartaanvallen, beroertes en aandoeningen die verband houden met een slechte bloedsomloop.

Wie wordt erdoor getroffen?

Het treft mensen van alle leeftijden en geslachten, maar het risico is groter bij oudere volwassenen, rokers, mensen die weinig bewegen en mensen met diabetes, obesitas of een familiale voorgeschiedenis.

Diagnose en behandeling

De diagnose omvat tegenwoordig lichamelijk onderzoek, bloedonderzoek, ECG’s, medische beeldvorming en inspanningstests. Afhankelijk van de ernst van de aandoening bestaat de behandeling uit veranderingen in levensstijl, medicatie, medische ingrepen of een operatie.

Preventie en controle

Preventie en controle omvatten gezonde voeding, regelmatige lichaamsbeweging, het vermijden van tabak, stressbeheersing, het onder controle houden van de bloeddruk en het cholesterolgehalte, het behouden van een gezond gewicht en het opvolgen van medisch advies.

Een korte geschiedenis

Figuur 1: De eerste stethoscoop

Originele stethoscoop van de Franse arts René Théophile Laennec, 1820 (bron: Science Museum, Londen).

De geschiedenis van hart- en vaatziekten begint meer dan duizend jaar geleden. Rond 400 v.Chr. beschreef de Griekse filosoof Plato het hart als het centrum van emotie en gewaarwording in het lichaam, dat reageert op gebeurtenissen zowel binnen als buiten het lichaam. Eeuwen later, in de 17de eeuw, ontdekte de Engelse arts William Harvey hoe het bloed door het lichaam circuleert, waarmee hij de basis legde voor de moderne cardiologie.

Ook toen bleven hartziekten moeilijk te diagnosticeren. In tegenstelling tot infectieziekten of verwondingen ontwikkelen hartaandoeningen zich in het lichaam en laten ze vaak weinig zichtbare tekenen na. Vóór de uitvinding van moderne diagnostische hulpmiddelen hadden artsen vaak moeite om vast te stellen of iemand aan een hartaandoening of aan een andere ziekte was overleden.

In de 19de en het begin van de 20ste eeuw maakten een reeks medische uitvindingen de inwendige werking van het hart geleidelijk zichtbaar. In 1816 vond de Franse arts René Laennec de stethoscoop uit (Figuur 1), waarmee artsen naar hartgeluiden konden luisteren. In 1865 maakte de sfygmograaf het mogelijk de polsslag objectief te registreren. Ten slotte ontwikkelde de Nederlandse fysioloog Willem Einthoven in 1902 het elektrocardiogram (ECG), waarmee artsen de elektrische activiteit van het hart konden meten en ritmestoornissen konden diagnosticeren.

Samen veranderden deze doorbraken de diagnose van hartziekten ingrijpend. Het werd steeds beter mogelijk om cardiovasculaire aandoeningen nauwkeurig te herkennen, maar doeltreffende manieren om ze te voorkomen en te behandelen is pas veel later ontstaan.

De opmars en terugval van hartziekten

In de 19de eeuw overleden in België relatief weinig mensen aan hartziekten (Figuur 2). In de 20ste eeuw werden hart- en vaatziekten echter een van de belangrijkste doodsoorzaken in het land, een patroon dat in een groot deel van West-Europa te zien was.

Toen België in 1851 doodsoorzaken begon te registreren, overleden jaarlijks ongeveer 15 mensen per 10.000 inwoners aan hart- en vaatziekten. Tegen de jaren 1970 was dit gestegen tot 54 sterfgevallen per 10.000 inwoners. Na deze piek begon de sterfte op lange termijn te dalen.

De trend verliep echter niet volledig gelijkmatig. Opvallend in deze grafiek is de plotselinge daling aan het einde van de jaren 1960. Deze daling is ook in verschillende andere Europese landen te zien en wordt grotendeels verklaard door veranderingen in de Internationale Classificatie van Ziekten, het internationale systeem dat wordt gebruikt om doodsoorzaken te classificeren.

Toen in 1969 een nieuwe versie van die Internationale Classificatie van Ziekten werd ingevoerd, werden aandoeningen zoals beroerte en andere cerebrovasculaire ziekten geclassificeerd als hart- en vaatziekten, terwijl ook arteriosclerose opnieuw werd ingedeeld. Daardoor veranderden de statistieken — niet omdat de gezondheid van mensen plotseling verslechterde, maar omdat artsen doodsoorzaken anders registreerden.

Dit illustreert een belangrijke les bij de interpretatie van gezondheidstrends op lange termijn: veranderingen in medische kennis en ziekteclassificatie kunnen de cijfers even sterk beïnvloeden als veranderingen in de ziekten zelf.

Figuur 2: Sterfgevallen door hart- en vaatziekten per 100.000 inwoners, België, 1851-2020

Bron: Documents statistiques en Annuaire statistique, 1851-1869; Rijksarchief Brussel, Loop van de bevolking, 1888-1953; STATBEL, 1954-2020; berekeningen door de auteur.

Figuur 3: Het rookgedrag van mannen verhoogde hun risico op hartziekten

De rokers door Honoré Daumier, ca.1850-60 (bron: Wikimedia Commons).

Gedurende een groot deel van de 20ste eeuw hadden mannen een grotere kans dan vrouwen om aan hartziekten te overlijden (Figuur 3). Dit kwam grotendeels doordat zij meer waren blootgesteld aan belangrijke risicofactoren. Mannen rookten meer, dronken meer alcohol en werkten vaker in fysiek zware of stressvolle beroepen en in zware industrieën, waar blootstelling aan stof en luchtvervuiling het risico op hart- en vaatziekten verhoogde.

Vanaf de jaren 1980 hadden vrouwen, in absolute aantallen, meer sterfgevallen door hart- en vaatziekten. Dit betekent niet dat vrouwen plots kwetsbaarder werden dan mannen. Vrouwen leven doorgaans langer en hartziekten zijn vooral ziekten van oudere leeftijd. Naarmate meer vrouwen een hoge leeftijd bereikten, overleden uiteindelijk ook meer vrouwen aan hart- en vaatziekten.

De toename van hartziekten in de 20ste eeuw hangt daarom nauw samen met een van de grootste gezondheidssuccessen van de samenleving: mensen gingen langer leven. In de 19de eeuw stierven veel mensen jong aan infectieziekten, slechte sanitaire omstandigheden of geweld. Omdat hart- en vaatziekten zich meestal over tientallen jaren ontwikkelen, leefden relatief weinig mensen lang genoeg om ermee geconfronteerd te worden. Naarmate de leefomstandigheden verbeterden en de levensverwachting toenam, bereikten meer mensen de leeftijd waarop hartziekten vaak voorkomen.

Figuur 4: Belgische ambulance in 1970

Bron: Felixarchief Antwerpen, 934#15654.

Sinds de jaren 1970 is de sterfte door hartziekten in België sterk gedaald. Deze daling ligt in lijn met wat in een groot deel van de westerse wereld te zien is. Dit positief verhaal is het resultaat van zowel betere preventie als betere behandeling.

Onderzoekers kregen een veel duidelijker inzicht in de belangrijkste risicofactoren voor hart- en vaatziekten, waaronder roken, hoge bloeddruk en een hoog cholesterolgehalte. Deze kennis leidde tot volksgezondheidscampagnes die mensen aanmoedigden te stoppen met roken, gezonder te eten en meer te bewegen.

Ook de medische zorg verbeterde drastisch. Nieuwe geneesmiddelen maakten het mogelijk bloeddruk en cholesterol doeltreffender onder controle te houden, terwijl ontwikkelingen zoals bypasschirurgie, stents en harttransplantatie de overlevingskansen bij ernstige hartziekten sterk verhoogden.

Ook de spoedeisende hulp werd sneller en doeltreffender. Verbeteringen in ambulancediensten, noodtelefoonsystemen en levensreddende technieken zoals cardiopulmonale reanimatie (CPR) en defibrillatie zorgden ervoor dat veel meer mensen een hartaanval overleefden dan in eerdere decennia. Vanaf het einde van de jaren 1970 voerde België ook gespecialiseerde mobiele urgentiegroepen en helikopterdiensten in, zodat patiënten zelfs in meer afgelegen delen van het land snel behandeld konden worden.

Deze ontwikkelingen hebben hart- en vaatziekten getransformeerd van één van de belangrijkste doodsoorzaken in het land, in aandoeningen die steeds beter te voorkomen en te behandelen zijn.

Hartziekten op kaart

Figuur 5: Cardiovasculaire sterfte per arrondissement, 1890-2011

Bron: Rijksarchief Brussel, Loop van de bevolking, 1890-1950; STATBEL, 1970-2011; berekeningen door de auteur.

Nationale trends vertellen slechts een deel van het verhaal. Wanneer de cardiovasculaire sterfte tussen 1890 en 2011 voor elk Belgisch arrondissement in kaart wordt gebracht, worden duidelijke regionale verschillen zichtbaar (Figuur 5). Omdat de cijfers voor leeftijd zijn gecorrigeerd, kunnen deze patronen niet eenvoudig worden verklaard doordat sommige arrondissementen een oudere populatie hebben dan andere.

In 1890 en 1910 lagen arrondissementen met hoge cardiovasculaire sterfte verspreid over het land, zonder duidelijk regionaal patroon. Dit veranderde in de jaren 1930, toen de hoogste sterftecijfers werden aangetroffen in relatief welvarende stedelijke gebieden zoals Brussel en Charleroi. In die tijd kwamen hart- en vaatziekten nog vaker voor bij rijkere groepen, wat samenhing met levensstijlen met rijkere voeding en minder lichaamsbeweging.

Vóór 1950 was de sterfte ook bijzonder hoog in grote industriële centra zoals Charleroi, Luik en Bergen. Deze regio’s werden gekenmerkt door zware industrie, vervuilde lucht, slechte arbeidsomstandigheden en dichtbevolkte woonomgevingen, factoren die het risico op hart- en vaatziekten verhoogden.

Na 1950 verzwakte dit verband echter geleidelijk. Tegen de jaren 1970 kon industrialisering alleen niet langer verklaren waarom sommige arrondissementen een hogere cardiovasculaire sterfte kenden dan andere.

In plaats daarvan ontstond een nieuw geografisch patroon. Verschillende landelijke arrondissementen in Wallonië, waaronder Marche-en-Famenne en Bastenaken, registreerden een relatief hoge sterfte. Beperkte toegang tot ziekenhuizen en spoeddiensten kan daartoe hebben bijgedragen, omdat mensen met een hartaanval vaak langer moesten wachten op behandeling. Hoewel de ambulancediensten uitbreidden, waren spoeddiensten nog niet overal in het land even goed beschikbaar.

Verschillen in levensstijl werden eveneens steeds belangrijker. Onderzoek suggereert dat voedingsgewoonten verschilden tussen Wallonië en Vlaanderen. Zo consumeerden mensen in Wallonië doorgaans meer boter en vlees, wat hun risico op hart- en vaatziekten mogelijk verhoogde.

Tegen de jaren 1990 was de sociale geografie van hartziekten grondig veranderd. Hart- en vaatziekten waren niet langer geconcentreerd bij rijkere bevolkingsgroepen, maar kwamen vaker voor bij sociaal achtergestelde groepen. Arrondissementen zoals Tongeren en Kortrijk, waar het opleidingsniveau relatief laag was, kenden nu een hogere cardiovasculaire sterfte. Deze ommekeer weerspiegelt het toenemende belang van sociale ongelijkheid in cardiovasculaire gezondheid.

Individuele verschillen

Regionale kaarten tonen waar hartziekten het vaakst voorkwamen, maar niet wie het meest werd getroffen. Om die vraag te beantwoorden, gebruiken we het gedetailleerde doodsoorzakenregister van Antwerpen, waarin elk overlijden in de stad tussen 1820 en 1939 is opgenomen. Naast de doodsoorzaak bevat het register informatie zoals leeftijd, geslacht en beroep, waardoor het mogelijk is het risico op hartziekten tussen verschillende sociale groepen te vergelijken.

Figuur 6 vergelijkt doorheen de tijd de kans om aan hart- en vaatziekten te overlijden tussen verschillende beroepsgroepen. In de eerste periode (1820-1850) hadden mensen uit de sociale elite — zoals ondernemers, advocaten en ingenieurs — een grotere kans om aan hartziekten te overlijden dan geschoolde of ongeschoolde arbeiders. Het hoogste risico werd gevonden bij mensen zonder geregistreerd beroep, een categorie die voornamelijk bestond uit oudere, gepensioneerde personen.

Tussen 1851 en 1880 werden deze sociale verschillen kleiner, hoewel de elite nog steeds een hogere cardiovasculaire sterfte kende dan de meeste arbeidersgroepen.

Rond het begin van de 20ste eeuw (1881-1909) begon het patroon te verschuiven. Geschoolde arbeiders en de lagere middenklasse registreerden bijna hetzelfde sterfterisico dan de elite.

In de periode 1910-1939 veranderde de sociale gradiënt verder bij de vrouwen, waarbij de elite een lagere cardiovasculaire sterfte kende dan alle lagere sociale klassen .

In het algemeen weerspiegelen de Antwerpse gegevens de bredere patronen die in België werden waargenomen. In het begin en midden van de 19de eeuw werden hart- en vaatziekten vaker geregistreerd bij rijkere mensen en gepensioneerden. Na verloop van tijd werden deze verschillen kleiner doordat hartziekten zich breder over de samenleving verspreidden. Tegen de 20ste eeuw was het sociale patroon veel minder stabiel geworden en veranderden de groepen met het hoogste risico van periode tot periode.

Verschillende factoren kunnen deze verschuivingen verklaren. In de 19de eeuw hadden rijkere mensen meer kans om infectieziekten te overleven en een hogere leeftijd te bereiken, wanneer hart- en vaatziekten vaker voorkomen. Tegelijk kunnen rijkere voeding, een meer sedentaire levensstijl en de stress van het zakenleven en het openbare leven hun risico eveneens hebben verhoogd. Naarmate de leefomstandigheden verbeterden voor iedereen en infectieziekten afnamen, werden hart- en vaatziekten geleidelijk aandoeningen die een veel groter deel van de bevolking troffen.

Figuur 6: De kans om aan hartziekten te overlijden bij hoge en lage beroepsgroepen en bij mannen en vrouwen

Berekeningen op basis van oddsratio’s, waarbij ongeschoolde arbeiders = 1. Waarden >1 betekenen een grotere kans om aan hartziekten te overlijden dan ongeschoolde arbeiders; waarden <1 betekenen een kleinere kans om aan hartziekten te overlijden dan ongeschoolde arbeiders.

Bron: Felixarchief Antwerpen, Doodsoorzakenregisters; Quetelet Center, Databank S.O.S. Antwerpen; berekeningen door de auteur.

Figuur 7: Obesitas is niet nieuw

Obesitas - Heart Disease
Tekening uit de collectie E. Keym van een zwaarlijvig persoon, datum onbekend (bron: Stadsarchief Brussel).

Levensstijl en voeding verschilden in de 19de eeuw ook sterk tussen sociale groepen. Studies naar voedselconsumptie tonen aan dat arbeidersgezinnen voornamelijk leefden van brood, aardappelen, groenten, melk en cichoreikoffie. Vlees en vis waren duur en werden daarom slechts af en toe gegeten, vaak op zondag. Brood vormde de basis van het voedingspatroon en was een groot deel van de huishoudelijke uitgaven.

De hogere klassen leefden heel anders. Voedsel was niet alleen een bron van voeding, maar ook een symbool van rijkdom en sociale status. Hun maaltijden, vaak geïnspireerd door de Franse haute cuisine, bevatten royale hoeveelheden vlees, rijke sauzen, gebak en ingevoerde producten zoals koffie, thee, wijn, suiker en specerijen. Cafés, salons en restaurants werden belangrijke plaatsen waar de stedelijke burgerij elkaar ontmoette en sociale contacten onderhield.

Brussel speelde een voortrekkersrol in deze nieuwe eetcultuur. In de loop van de 19de eeuw groeide het aantal restaurants in de stad van minder dan tien tot meer dan driehonderd, wat illustreert hoe snel uit eten gaan deel werd van het leven van de midden- en hogere klassen.

Vergeleken met arbeidersgezinnen consumeerden rijkere Belgen doorgaans meer calorieën en een veel groter aandeel dierlijke vetten. Eigentijdse karikaturen en beschrijvingen stelden leden van de burgerij vaak voor als stevig of zwaarlijvig. Deze uitgesproken verschillen in voeding en levensstijl kunnen helpen verklaren waarom hart- en vaatziekten in de 19de eeuw vaker werden geregistreerd bij hogere beroepsgroepen. 

Na verloop van tijd begon het sociale patroon van hart- en vaatziekten echter te veranderen. Naarmate de medische kennis toenam, behoorden mensen met hogere inkomens en een hoger opleidingsniveau vaak tot de eersten die gezondere levensstijlen aannamen. Ze rookten minder, verbeterden hun voeding, bewogen meer en profiteerden eerder van preventieve gezondheidszorg en nieuwe behandelingen. Deze veranderingen helpen verklaren waarom hart- en vaatziekten vanaf het einde van de 20ste eeuw steeds meer geconcentreerd raakten bij mensen met lagere inkomens of een lager opleidingsniveau.

De geschiedenis van hart- en vaatziekten toont dat patronen van gezondheid en ongelijkheid niet vaststaan. In de 19de eeuw werden hartziekten vaker geassocieerd met de hogere klassen, die meer kans hadden infectieziekten te overleven, vaak rijker voedsel aten en een meer sedentaire levensstijl hadden. Tegen het einde van de 20ste eeuw was het patroon grotendeels omgekeerd en werden de hoogste risico’s steeds vaker gevonden bij mensen uit lagere sociaaleconomische groepen.

Terugkijken op deze veranderingen herinnert ons eraan dat gezondheidsongelijkheden worden gevormd door de wisselwerking tussen sociale omstandigheden, levensstijl, medische vooruitgang en toegang tot gezondheidszorg. Wanneer deze factoren in de loop van de tijd veranderen, veranderen ook de ziekten die verschillende groepen in de samenleving treffen.

Onze publicaties

Wil je meer weten over hartziekten in Belgie? Verken onze gepubliceerde artikels: 

  • Bevernaegie, Lise, Devos, Isabelle, & Gadeyne, Sylvie. (2024). Where did people die from cardiovascular disease? Spatial inequalities in cardiovascular mortality in Belgium between 1890 and 2011. Space, Populations, Societies, 2023/3-2024/1. (https://doi.org/10.4000/12tpu).
  • Bevernaegie, Lise, Gadeyne, Sylvie, & Devos, Isabelle (forthcoming). A century of heartbreak: district-level drivers of cardiovascular mortality in Belgium (1890-1992).

Literatuur

  • Brohet, C., & Clement, D. (2018). 70 jaar cardiovasculaire preventie (1948-2018). Hart & slagaders: Tijdschrift van de Belgische Cardiologische Liga, 2018(1), pp. VI-X.
  • Dattani, S. (2025, August 4). Death rates from cardiovascular disease have fallen dramatically: what were the breakthroughs behind this?Our World in Data.Org. (geraadpleegd op 7 September 2026 via https://ourworldindata.org/cardiovascular-deaths-decline). 
  • Grimmeau, J.-P., et al. (2015). Atlas van België: bevolking. In Derde atlas van België (Vol. 6). Gent: Academia Press. (https://www.atlas-belgique.be/index.php/nl/papieren-versie/3de-atlas-van-belgie) 
  • Hacha, T. (forthcoming). From death to data: the history of cause-of-death registration in Belgium (1820-1960). 
  • Mensah, G.A., et al. (2017). Decline in cardiovascular mortality. Circulation Research, 120(2), 366-380. (https://doi.org/10.1161/CIRCRESAHA.116.309115). 
  • Wall, E.E., (ed.). (2014). Canon van de cardiologie. Haarlem: DCHG Medische Communicatie.
  • Perciaccante, A., Riva, M.A., Coralli, A., Charlier, P., & Bianucci, R. (2016). The death of Balzac (1799-1850) and the treatment of heart failure during the nineteenth Century. Journal of Cardiac Failure, 22(11), 930-933. (https://doi.org/10.1016/j.cardfail.2016.09.005). 
  • Reid, A., Garrett, E., Dibben, C., & Williamson, L. (2015). A confession of ignorance: deaths from old age and deciphering cause-of-death statistics in Scotland, 1855-1949. The History of the Family, 20(3), 320-344. (https://doi.org/10.1080/1081602X.2014.1001768). 
  • Vandeputte, C. (2015). De geschiedenis van de dringende geneeskundige hulpverlening in België tot 1988(Vol. 1). Avelgem: Chris Vandeputte. 
  • Vandeputte, C., & Vanhessche, J. (2017). De dringende geneekundige hulpverlening in België vanaf 1988 (vol. 2). Avelgem-Kortrijk: Chris vandeputte – Joost Vanhessche.
  • Waldron, I. (1991). Patterns and causes of gender differences in smoking. Social Science & medicine, 32(9), 989-1005. (https://doi.org/10.1016/0277-9536(91)90157-8).

Databronnen

  • Rijksarchief Brussel, Loop van de bevolking en van de burgerlijke stand, 1888-1976.
  • STATBEL, Databanken DEMOBEL en Mortaliteit, 1969-2020.
  • Universiteit Gent – Quetelet Center, Databanken HISSTER en S.O.S. Antwerpen.